maandag 18 juni 2018

Het volgende


Het volgende


Aan wat me volgt:
laat me los,
laat me gaan.
Scherven onthouden
hoe het paste,
hoe het vorm vond, spiegelde
en ons omvatte.
Hoe hard ik ook rende,
mijn schaduw volgde.
Waar ik ook keek,
zij was daar,
ik zag haar.

In een wijkend ogenblik
besliste zij
dat ik niemand was
en verdween ik
in het strijdgewoel.
Zij werd ongrijpbaar,
ik vond haar niet
voor herhaling vatbaar,
onaantastbaar.

Ik zie
wat op mij lijkt
in etalages passeren,
zonder haar,
en verhullen
wat ik altijd bedoel:
nog lang niet levensmoe
maar vergeten hoe,
en nooit pasklaar.

vrijdag 15 juni 2018

Een gedicht is een pakje

Een gedicht is een pakje


Een afgegeven pakje
voor de buren
wacht af op tafel.
Het adres klopt.

Na het stofzuigen
staat het ineens
op de andere hoek.

Iets in de doos krabt,
schuifelt, beweegt.

Ik moet het doden
voor het mij doodt.

donderdag 14 juni 2018

Ontkroning

Ontkroning


Zeker
heeft zij me beschadigd,
maar je zou
haar eens moeten zien.

Een rat in de klem,
zij keek naar mij
met dovende ogen
en ik wist niet
wat zij zag.

Pijn is het antwoord
als je het wilt horen
en weten
Pijn keert je terug
naar de haat,
de nooit lege
jeneverfles.

De tijdloos geduldige dood
vervaagt alles
tot herinneringen,
onnodig als kleding.
Pijn groeit
als een moedervlek.

Geen paniek,
begrip volgt later.
De ontkroning
zodra ik stop
met schrijven.

woensdag 13 juni 2018

Droomstad

Droomstad


Ik keerde terug
om de droomstad te ontdekken.
Niets bleef zoals het was,
dat wil zeggen,
er lag een ander licht over,
dat wil zeggen,
er was niets nieuws.

Dit bleek onverdraaglijk.

dinsdag 12 juni 2018

Een veld van sterren


Een veld van sterren


( Loop door...
Leeg, ontbeend, ontheemd, het hart
een gebroken steen, dor en star,
met knapzak en fles water,
mijn zweet doopt rotsen en kasseien,
de Sint Jacobsroute naar Santiago.
Zon en pad ontwijken mij,
ik ledig de kelk in schaduw en licht,
verwarring en twijfel.

Onteigening, slechting
van muren verwacht en zoek ik.
Ik verleg grenzen,
( Loop door loop altijd door...
zoek onthechting tot alles in mij
alles buiten mij vindt,
onbeschreven, onbegonnen kind.

Een doorbraak, bedevaart,
met het gewicht van plicht.
Afgeleid, uit onverlicht
stoffig peinzen weggelokt door
net zichtbare reeën, schichtig
in het kreupelhout
nabij over heuvelvlaktes,
gevolgd door maan en sterren,
langs open herbergen en schuren.
Wat maakt einddoel
tot startpunt
voor de rest van het leven,
de bestemming tot aftrap,
de dood tot hergeboorte.

Steunend op mijn staf,
de steen van thuis op zak
onderging deze lastdrager
de pijniging van reiniging
en verwondering,
stap voor stap, tot het verleden
stopte met rondzingen
en de warboel van relikwieën
in kramen en stalletjes
achter zelfbedachte horizonten onderging.
Ik sleet sandalen en pleisters,
bleef alleen tot gezelschap
niet te ontkennen viel,
het zwaard mij vond en tot leven bracht.
De steen en ik scheidden wegen
bij het Cruz de Ferro.

( Loop door loop altijd door...
Op mij lijkende en aan mij gelijke
reizigers mijn gezelschap, naast
en de laatste uren in mij,
waar wij als beken samenstromen
in een rivier van hoop,
sint-jakobsschelpen, palmtakken
en oplichtende smartphones, biddend
dat de tocht niet zal eindigen
tussen de beenderen op de Libredón,
dit grafveld van sterren.
Volgden wij de paden of de paden ons?
Mijn zelf laat ik achter
waar ik herbegin.
) ) )

zaterdag 9 juni 2018

Ik ben om je heen


Ik ben om je heen


Eva, net voordat Adam toehapt:
die glimlach siert haar.
"Ik ben de ochtend,
ontwaak", zingt ze,
en terwijl ik mijn harnas uittrek
en mezelf plaats op de aarde
tussen haar meubels en planten
word ik, ben ik, eindelijk.

Een dak boven me,
een vloer onder me,
muren om me heen,
en haar glimlach de enige
versiering van waarde.
Adam vangt woorden,
verzint en vindt namen.

Lied zonder woorden,
woorden zonder klank,
Eva maakt appelmoes
en Adam slurpt.
Nadere kennis ontbreekt nog.
"Ik ben om je heen", zingt ze.
Ik benoem haar,
spreek haar uit,
zij die me evenaarde.
Ze reageert op haar naam.
Zij wordt, zij is, eindelijk.

donderdag 7 juni 2018

Morgen beter


Morgen beter


Zij springt me tegemoet,
maar komt niet nader
dan de ketting reikt.
De rivier stopt
net voor zee, elke dag.

"En u bent?"
vraagt ze terecht en bijziend.
"Soms", antwoord ik.

Soms antwoord ik
in etappes,
en benut ik pauzes
om haar handenspan
in het mijne te bedaren,
bewaren,
zolang het duurt,

tot ze weer verwaait,
een blad papier
nog voor ik
de woorden lezen kan.

De zee wacht.
Nu weet ik nog niet
wie ik ben,
en wanneer.