zaterdag 28 februari 2015

De uitzonderling

De uitzonderling


In daglicht
ben ik schuldig aan onschuld:
ik beken nooit.

In deze maannacht
aan dit rimpelloze meer,
adem ik in,
adem ik uit,
verkeer ik
op onmeetbare afstand
van de anderen,
maar ben niet afgedwaald.

Ik kan niet veranderen,
ik hoef niet te bidden
om hun aandacht,
en ben minder eenzaam
dan in hun midden.

Alles wacht af:
kan ik de spiegel
van mijn ziel
poetsen
en geen vingerafdrukken
nalaten?

De nachtvlinder droomt mij,

misschien werd ik
deze ochtend
niet wakker.

Uit: Tot waar het wringt, Heimdall 2014.

vrijdag 27 februari 2015

Proost

Proost


Hij verloor haar
in hun afgeloste huis.
De keuken galmt, de hal echoot
haar afwezigheid
en aan de muren
beperken fotolijsten
hun verleden tijd.
Hij ontvlucht het
sinds het hem opsloot.
Dit is het komen en gaan
van herinneringen,
meer niet.

Zij verdween ook uit de tuin.
Als haar feestdagen
komen rozen en aardbeien
jaarlijks terug
zonder haar groene handen.
Hij schoffelt en snoeit
vergeefs wat in hem groeit.

Komen en gaan, meer niet.
Hij volgt stuurloos de navigatie,
mist haar commentaar
en afslagen.
Hij parkeert
bij het pannenkoekenhuis
waar zij ook ontbreekt.
Hij weet het,
kust en nipt aan zijn kopstoot.

Zijn ogen volgen de jongedame
die hem bediende,
zijn hart niet.
De spiegels blijven leeg,
hoe lang hij ook kijkt.
Klanten komen en gaan,
meer niet.
Die hij kent of herkent
negeert hij.
Na de vierde consumptie
vindt hij haar
op de lege kruk naast zich.
Hij heft zijn glas.

donderdag 26 februari 2015

Momentopname

Momentopname


Ik sta stil
bij en op
een onbewogen foto,
voorgoed bij de tijd.
Alsof ik kan wachten.
De bepaalde sluitertijd
kadert.

Een in zijn spel
betrapte aap,
nalatig en onvoldoende,
in ongedwongen houding
in gedwongen opname,
tot ik word opgehaald.
Mijn blik mist de lens
en de foto de mens.
De tijd buiten mij
bladert.

Dat is niet
wat ik beleef.
Plannen en taken stapelen,
halfgelezen kranten,
ongesorteerde foto's.
Ik leef een film
met onbeleefd begin,
te weinig tijd,
en het einde
een ruiter die
nadert.

26 februari 2015

woensdag 25 februari 2015

Korte verkering

Korte verkering


Ik at met twee woorden,
sprak met mes en vork,
maar bij haar familie
bleef ik voor haar
onvoorstelbaar.

Zij vreesde dat ik
onbewaakt kon openbarsten
in een gedicht,
en dat haar vriendinnen
dat zouden zien.

Ik liet haar trakteren,
want van wie ik liefheb
wilde ik eten.

25 februari 2015
(met sample van Neeltje Maria Min)

De schapenvacht

De schapenvacht


In de schapenvacht
waarin ik slaap vannacht
bijt ik me vast
met wolventanden.
Maar wacht,
dit is vorm uit inhoud,
een ontbrekend stuk
in een puzzel.
De kudde vult
elke leegte
als in tetris.

Iedereen is het eens
met wie hem voedt,
opvoedt. Weidt
volgzaam op wetteloze velden.
Wie spreekt wie aan,
wie brengt het tot luisteren,
ben ik dan de enige
die uit de maat loopt,
uit de tijd?

"Lees dan beter,"
blaat mijn verdediging.
"Ken je maat."
Maar waar ik mijn maat verwacht
graast de kudde,
en de kudde is de kudde,
meer niet.
Tot vluchten gedwongen
voelt elke straat verdacht.

Ik ruik verbrand gras.
De wolf in me zingt,
drinkt de dauw
waar maanlicht blinkt.
Ik aarzel, huiver,
heb onzuiver nagedacht
in mijn schapenvacht.
Ik scherp mijn klauwen
en doop nagels in inkt.

25 februari 2015.

dinsdag 24 februari 2015

Leeg

Leeg


Deze pagina
kan goed zonder mij,
maar ik kan het bloeden niet stelpen,
ik kan het niet helpen.

Het bloedt en lekt nog:
dit gedicht is vers.

Uit: Tot waar het wringt, Heimdall 2014

maandag 23 februari 2015

Sterrenogen

Sterrenogen


De man naast me
praat tegen me
als een regenbui.
Ik kijk ondertussen
naar voorbijgangers op straat.

Problemen met de vrouw,
en de kinderen,
en het werk,
en vooral met zichzelf.

Als jij bij me komt zitten
als een neerstrijkende gouden vlinder
en ik je in je hals zoen,
voel ik hoe hij naar je staart,
en we vertrekken gehaast
na de koffie.

Hij kijkt ons na,
uitgelezen krant,
terwijl ik opnieuw het licht zie
in jouw sterrenogen.

Uit: Tot waar het wringt, Heimdall 2014

zaterdag 21 februari 2015

Waarna het beter ging

Waarna het beter ging


Hij werd verstrooid
door zijn werk, zei hij.
Elke vrijdag die belediging,
dat boeket dode rozen
uit de stationshal,
waar hij naar beneden ging,
in de agenda afgevinkt.

Hij werd vervangen.
Zij koestert haar leed
en voedt de vernedering
als het kind dat nooit kwam.
Tijdens de begrafenis,
waar hij naar beneden ging,
regende louter hemelwater.
Niets wezenlijks werd verminkt.

Zij stoft de urn op zolder
in ingehouden vertedering.
Zij telt dagelijks
de vijftien treden
waarmee zij naar beneden ging,
aangenaam, niet storend,
en kent genade noch einde,
onbewolkte engel,
en geen gezang weerklinkt.

Hij werd verstrooid
en elke vrijdag
door verse rozen vervangen.
Zij telt de zegening
en blijft verversen,
maar het vaaswater stinkt.

De psychologe

De psychologe


Het is altijd een vrouw.

Er is altijd koffie,
zwart,
en achter haar: grote ruiten
en een natte groene tuin,
en opstandige wrevel
om me heen.

Ik neem het woord
(je bent schrijver of niet),
of zij eerder
(ik drink en let niet op),
en het gesprek wordt onontkoombaar.

Daarna dalen we af
in mijn kelders
en omsluiten kilte, vocht, tocht
en echo’s
alles wat ik zeg.

Al mijn woorden.

Uit: Tot waar het wringt, Heimdall 2014

Feesbok

Feesbok


Stropstampstipdrap -

Stomdronken stamelstappend,
onstevig stapelend stap op stap -

Stil nu,
stroef loeder van een nacht,
op jou neem ik morgen wraak
met uren strengstrakstralende zon...

Prins Feesbok d'n Urste...
Wat heb ik aan deze sleutel
zonder voordeur?

Hou me strikt vast nu
als ik stinkstramstrafstop,
als ik stomstapelstruikelstamp,
als ik stikstevigstoppelig st...

Sssst...

vrijdag 20 februari 2015

De boom

De boom


En nu,
uiteindelijk,
ben ik een boom -
bladerloos,
naakt in het openbaar,
radeloos topzwaar,
slaaf van de wind
en de regen.

Nu nog
een nest voor vogels;

Straks
zes brandbare planken,
op weg naar as
en oceaan.

Mijn takken tasten
naar een teken van leven.

Uit: Tot waar het wringt, Heimdall 2014

donderdag 19 februari 2015

Op klompen

Op klompen

(Fragment uit Koorddansen op klompen, 2013)

Volgrijze lucht, dampwitte sneeuw, mijn adem zichtbaar.
Ik was naar buiten gelopen omdat ik moeder niet kon stoppen. Zij luisterde niet naar mij, wat ik ook zei en riep. Zij bleef huilen. Ik had ineens hard tegen haar geschreeuwd, “Hou op met dat gejank mens!”, vader imiterend als niet eerder, en had de keukendeur achter mij dichtgeslagen, haar achterlatend. Zou zij nog huilen, nu? Ik hoorde niets. Ik had gewacht op ons erf en in opa’s tuin, in de vers gevallen sneeuw. Overall aan, klompen, dikke trui en wollen jas, wanten aan een koord door beide mouwen, een gebreide muts met kartonnen maansikkel in de klep. Het sneeuwde nog, verwaaiend licht, en de neerslag vormde één egale laag. Ik keek recht omhoog en zag de vlokken op mij af zwirrelen. Het was niet echt koud op het erf, in de beschutting van oma’s keuken, maar achter op het land wel.
Ik werd mij als van ademnood bewust van de egale witte vlakte. De sneeuwlaag had de vormen vervaagd en dempte het geluid. Alleen mijn voetsporen liepen terug naar opa’s erf. Ik liep langs de beukenhaag, waaraan verdorde bruine bladeren vol witte sneeuw hingen, naar achter, naar de sloot, omdat die onder een laag onbeschreven sneeuw verdwenen leek. Mollies sporen zag ik er recht overlopen, langs de haag.
Opeens begon het te waaien en de wind voelde guur koud, vochtig koud aan. Donkergrijze wolken pakten zich traag samen boven de witte velden. Meteen bleef de sneeuw onder mijn klompen plakken, laag na laag, bij elke voetstap die ik zette. Probeerde te zetten. De laag groeide snel, en ineens kwam ik niet meer los van de grond, zo zwaar waren de sneeuwzolen. Ik begon te huilen, maar stond ver achterin de tuin en niemand hoorde mij. De huizen hadden de ramen potdicht, ook de blinden, en de wind gierde langs mijn tintelende oren. Ik tilde een voet uit een klomp, maar stopte die snel terug toen ik de kou voelde. Ik stond daar, hoog op de sneeuwklonten onder mijn klompen, voelde de vrieskou langs mijn benen optrekken en riep zo hard ik kon. Niet om mijn moeder, maar om opa.
Opa had naar traditie op 2 februari, Maria Lichtmis, de doffers bij de duivinnen gezet om rond 15 februari, Lauries verjaardag, eieren en rond 5 maart jongen te hebben. Hij schoffelde de witgekalkte duiventilvloer schoon en hoorde mij roepen, tussen het koeren, kirren en fladderen door. Ik zag hem door een van de invliegkleppen naar buiten kijken en op zijn klompen en met dampende adem de houten trap af klauteren, het tuinpad af schuifelen en over het hard bevroren aardappelveld hobbelen, en hij tilde mij met zijn grote handen onder mijn oksels uit mijn klompen.
Snel bracht hij mij over zijn schouder binnen, hijgend, dicht bij de warme plattebuiskachel in oma’s keuken, waar hij mijn blauwe voeten tussen zijn grote handen wreef tot die tintelden. Ik huilde, hij bromde troostend. Een ketel water zong op het vuur, de ketelsteen tingelde, en opa gooide wat houtblokken en antraciet erbij. Ik zag kolengruis op de thermiek van het vuur opkringelen en de vlammen oplaaien achter de mica plaatjes toen hij de aslade heen en weer rakelde. Mijn hart begon weer normaal te kloppen. Ik kreeg warme cacao van oma. Chocolademelk, met vel. Ik draaide het vel om het lepeltje en zoog het op. Zij knikte goedkeurend en keerde terug naar de winkel, in reactie op de bel. Opa at een appel inclusief klokhuis op, gooide de steel in de kachel en kwam bij mij zitten.
“Maar Jantje toch, ge was helemaal blauw.” Hij noemde mij nog steeds Jan, niet Hans. “Dat uw moeder u ook buiten laat lopen, met dit weer. En had ze laten staan, waarom bent ge niet zonder klompen naar binnen gekomen, dan?”
Hij haalde een geslepen voetloos jeneverglas achter uit de etagère in de keuken. Hij rommelde wat tussen het linnengoed in oma’s ladekast en vond het sachet met reststukken zeep en een kruik jenever. Hij zette het glas op de kast, trok de ivoren dop van de schenkkurk en schonk klokkend in. De kruik stopte hij terug achter de lakens. Het glas dronk hij in één teug leeg. Hij spoelde het af onder de pompkraan, droogde het af aan de revers van zijn stofjas en stopte het terug tussen de slopen. Hij keek mij niet aan. Ik volgde de rite, de handelingen, zonder begrip, op afstand.
“Zo, dat ontsmet. Of er een engeltje op uw tong pist. Hèhè. Nou heeft opa het weer warm, Jantje.” Hij kwam bij mij zitten, aan de tafel, na wat gloeiende kolen in de houten voetenstoof te hebben gestopt met een lange tang. “Hier, zet hier uw voeten maar eens op.” Spoedig gloeiden mijn tenen in de door moeder gebreide sokken. Hij trok diep aan zijn shag, ik zag het uiteinde oranjerood oplichten en de rook als wierook opkringelen.
“Waarom moet uw moeder huilen, Jantje? Ik hoor haar door de muur heen ‘s nachts. Het is de laatste tijd vaak raak, niet, hé?”
“Ze kan n niet g goed voor Laurie z zorgen. Laurie sl slaapt nou, ze heeft een h hele tijd l liggen h hoesten en h huilen. Gaat Laurie ook d dood, opa?”
“Welnee, jongen, wat haalt ge in uw kop. Uw moeder moet dat kind eens leren dóór te hoesten, dat is alles. Uw moeder durft uw zus niet eens melk te geven, ze is bang dat het erfelijk is, dat het meiske ook die verlamming, die zenuwziekte krijgt. Maar dokter Poppelaers zelf twijfelt of het van moeder op kind overgaat, en dat hoesten gaat wel over, dat heeft zijn tijd nodig. Gij snapt dat wel, hé?”
“Laurie moet allemaal blauwe kleren dragen, hé opa?”
“Blauwe kleren? Van wie hebt ge dat nou weer?”
“Dat zegt o oma, toch? Dat is goed tegen haar ziekte.”
Opa zuchtte.
“Opa? Is d dat de str straf van Onslieveheer, dat m m moeder en Laurie ziek z zijn?”
“Als Onslieveheer mensen als uw moeder straft, wat zal hij dat wel niet doen met echt slechte mensen, jongen. Ge moet dat niet geloven, dat is oudewijvenpraat.”
“M meneer p pastoor z zegt het. En de sœur.”
“Pastoor Van Haezeldonck is een oud wijf, en die sœur van jullie school zeker. Als die ooit hun verstand krijgen, worden ze gek van blijdschap, verstaat ge dat? Drinkt uw chocolade op. En hier, een stuk Kwatta. Het Soldaatje is voor jou, spaart ge die?”
“Ja. V van snoepen krijgt ge rotte t tanden, opa.”
“Van snoepen krijgt ge gouden tanden, jongen, kijk maar.” Opa toonde zijn vullingen en kronen, tussen de nicotinevlekken op zijn snijtanden en kiezen. Ik opende, spiegelend, mijn mond en toonde mijn gebit. Mijn konijnentanden, zeiden zij op school. Vier vooruit stekende snijtanden, tussen de middelste een spleet, kleine hoektanden. Ik stopte het afgescheurde Soldaatje in mijn broekzak.
“Uw moeder huilt omdat ze geen echte moeder kan zijn, Jantje. Een die u knuffelt, die haar armen om u heen kan slaan, die u kan warmen en troosten. Een die uw zus de borst durft geven. Niet die invalide waarmee ge het moet stellen. Een echte moeder.”
Ik dronk mijn chocolademelk op.
Moeder had geprobeerd mij te knuffelen en was bijna uit haar stoel gevallen. Ik kon haar nog net weer rechtop duwen. Daarom had zij zo moeten huilen. Mijn schuld.
Ik keek naar het verdorde buxustakje achter het grote crucifix aan de muur, oma’s nierstenen in een glazen stopfles, de bijna lege fles met O.L.V. IN ‘T ZAND ROERMOND erop, opa’s twee duivenbekers en er omheen de doopfoto’s van mijn neven en nichten op de lakenkast. Laurie en ik stonden er niet bij.
De cacao was deels naar de bodem van de beker gezakt en trok een spoor tegen de wand omhoog.
Ik keek naar de ijsbloemen tegen de kleine vensters.
En hoorde niets meer.


Pas de volgende ochtend, toen het was gaan dooien, dachten wij aan de klompen. Die stonden nog op de ijsklonten waarop ik was vastgevroren, handhoog.

Fragment uit 'Koorddansen op klompen', Soest 2014.

Ite, missa est

Ite, missa est

(Fragment uit Koorddansen op klompen, 2013)

Kerstmis 1957 vierden vader, Laurie en ik op de vigilie, de vieravond, met het bezoeken van het eerste deel van de gezongen nachtmis tot de consecratie. Moeder kon niet mee, dat was te ver lopen in de kou 's nachts. Wij telden af. De bel werd geluid door een misdienaar toen de pastoor binnenkwam, het orantengebaar maakte en recitatief aanhief: "In nómine Patris, et Filii, et Spíritus Sancti. Amen. Introíbo ad altáre Dei." De misdienaars antwoordden: "Ad Deum que lætificat juventútem meam." Dat laatste betekende: "...die mijn jeugd verblijdt." Die van hun wel... Als na het Kyrie, het Gloria, de Collecte, het Epistel, de Koorzangen, het Evangelie en de Preek het Credo begon, Credo in unum Deum, Patrem Omnipotentem, factórem cæli et terræ, visibílium ómnium, et invisibílium..., verlieten wij zo onzichtbaar mogelijk, stil en snel onze bank, omdat wij buiten moesten zijn vóór het Dóminus vobíscum van de pastoor en het Et cum spíritu tuo van de gelovigen, waarmee de consecratie begon; na het Ite, missa est: de wegzending van de nietgedoopten en geëxcommuniceerden. Parochianen die aan de zijkant hadden gestaan vulden de lege plaatsen op. Terwijl het koor de antifonen en motetten zong en ik de ogen van mijn klas op mij gericht voelde, liepen wij naar achteren, waar vader in de hal dassen omsloeg en wanten aantrok. Op de Overakkerstraat cirkelden onze slagschaduwen om ons heen terwijl wij naar huis snelden. Moeder had worstenbroodjes in een pan opgewarmd en de kolenkachel laten oploeien met kranten en wat petroleum. Er waren wat restanten kerststol van oma, en wat fondant. Vader had een tak van een spar tegen de schouw gespijkerd en daarin wat rode linten en wat kartonnen ballen gehangen. Midden op tafel stond een bord met stukken kaars.

Wij bezochten op kerstzondag met moeder de kerststal, die op het plein vóór de Maria Kerk was neergezet, met de achterkant tegen de pastorie aan. Een houten Maria en Jozef, en een gewone speelpop als Jezus. Een okerbruine doek was om de blonde meisjeskrullen gewikkeld om het foutieve geslacht te verhullen. Een namaakos en een nog duidelijker namaakezel stonden achterin, verscholen in de schaduwen die wat grote walmende kaarsen en twee met rood crêpepapier beklede lampen wierpen, chiaroscuro. Twee schapen scharrelden rond een herderpop met een namaaklam over zijn schouders als oma's nepnertsstola. De drie poppen van de Wijzen uit het Oosten stonden in hun berging op de zolder van het patronaat. Met wat sparrentakken en namaaksneeuw werd het tafereel voltooid.

De wind sneed nog steeds, moeder had een dikke wollen das om haar hoofd. Zij hield vader vast terwijl wij konden rondlopen. Zij hijgde van de inspanning, ijs hing aan haar das, wij hadden er zeker drie kwartier over gedaan van huis naar het plein. Het was al behoorlijk donker. Groepen mensen stonden bijeen en wensten elkaar zalig Kerstmis. De pastoor en zijn kapelaan stapten tussen hun parochianen in, met de handen op hun rug samengevouwen, als duiven, kraaien liever. Met dampende adem stonden Laurie en ik naar de stal te kijken. Vader sprak met iemand die ik alleen van gezicht kende, en zijn vrouw. Ik had het Kerstverhaal met interesse gevolgd tijdens de catechisatie en de meer op kleuterniveau herhaalde interpretatie door juffrouw Asselbergs in de Advent. Daarna leerden wij O dennenboom zingen en mochten wij in de klas vragen stellen.

"Werd het Kindekejezus door een ooievaar gebracht, als wij?" wilde een jongen weten. Ik zat mij af te vragen waarom wij O dennenboom tegen een spar moesten zingen, maar reageerde instinctief toen ik iets hoorde wat ik herkende.

"Onze ooievaars zitten in de winter in Egypte daar", wist ik. "Maar daar is geen sneeuw, en er zijn geen dennenbomen." Dat had ik opgevangen van vader en oom Sjef.

Gejoel. Zij draaiden zich om en wezen naar mij. Juffrouw Asselbergs greep in. Of ik het heilige feest van Kerstmis niet wilde ontheiligen met de goddeloze praat die ik zeker van thuis had.

"Zijn dat de vader en moeder van Jezus, Hans?" vroeg Laurie bij de stal die nacht. Het licht van een gloeilamp in de nok van de kerststal vormde een halo in de wazige sneeuwval. Er hing een engel aan de nok te bengelen in de bries.

"Nee, dat zijn maar poppen. Dat is niet echt." Grote broer.

"Ja maar, de sœur zegt dat het echt gebeurd is!"

"Dat zijn poppen, dat zie je toch. Kijk maar Laurie, Jozef heeft een seur in zijn wang. Daar ziet ge de verf."

Kapelaan De Wolff was erbij gekomen, met zijn handen op zijn rug. Hij boog voorover tot op de hoogte van Laurie.

"Ja meiske, dat zijn maar poppen, maar de Heilige Familie uit Nazareth, dat zijn Jozef en Maria en het Kindekejezus, die hebben zo echt bestaan. Ze kijken zo uit de hemel op ons neer. Ziet ge hoe ze hun kindje kregen, in armoe zo in een stal, door iedereen verstoten? Nergens kregen ze zo onderdak."

"Ze waren niet eens getrouwd, zo arm waren ze", wist ik. Ik had opgelet. Met geen woord was over een bruiloft gesproken. De kapelaan keek mij aan.

"Waarom zegt ge dat?"

"Nou, dat was toch zo?"

Laurie was geschrokken van de verandering van toon in zijn stem, en liep terug naar vader en moeder. De kapelaan volgde haar en zag onze ouders. Hij keek mij aan.

"Gij bent Johannes Lambregts, niet?"

Ik knikte. Hij richtte zich op. Hij had mij zeker niet herkend in mijn dikke das en wollen muts.

"Ik betwijfel of pastoor Van Haezeldonck het op prijs stelt dat uw ouders hier zo rondlopen. Die zondaars, een blamage, een schande voor onze parochie, dat hokt maar samen of er geen genademiddelen zoals sacramenten bestaan." Zijn stem werd luider en trok de aandacht van de pastoor. Deze overzag de situatie en kwam naar de stal.

"Wat zoeken jullie hier?" riep hij luid tegen mijn ouders. Die hadden tot dan geen acht geslagen op de twee geestelijken. Vader keek om zich heen.

"Wij komen de kerststal bekijken, met onze kinderen. Is dat verboden, misschien?"

Ik zag dat het echtpaar, waarmee zij hadden staan praten, achteruit stapte. Zij keken elkaar aan.

"Jullie aanwezigheid ontheiligt deze feestdag! Gij zondaar met uw onreine slet!"

"Nou, nou", probeerde vader te sussen. "Moet dat nou, waar onze kinderen bij staan?"

"Uw kinderen? De vrucht van uw zonde, zult ge bedoelen! Uw bastaards, zult ge bedoelen! Niet eens proper getrouwd!"

"Jozef en Maria toch ook niet?" kwam ik vader te hulp. Ik had de pastoor even goed in zijn gezicht kunnen spuwen, zo overdonderd keek hij mij aan. Vóór ik kon reageren, stapte hij op mij af en mepte hij tegen mijn hoofd. Ik struikelde over mijn losse veters en stapte in het kersttafereel. Om mijn val te stoppen greep ik de ruwhouten kribbe vast. Die kantelde om, en ik rolde met de jezuspop tegen de maria aan. Gelukkig stond die stevig vastgespijkerd op een triplex plaat, verzwaard met keien.

Ik krabbelde overeind en stopte de pop terug. Ik klopte het stro uit mijn das. Mijn optreden had het publiek op het plein naar de stal getrokken, en die waren getuige dat vader de pastoor minstens zo hard om zijn oren sloeg. Zijn bril viel op de stenen, maar hijzelf bleef overeind. Verschillende mensen sloegen een snel kruisteken.

"Niemand slaat mijn kinderen, hoort ge dat, niemand, al waart ge de paus zelf, en dan zeker niet!" Vaders stem bulderde over het plein. Zijn zangstem, hard, helder, duidelijk verstaanbaar. Hij had mijn wankelende moeder snel onder haar arm gevat. De kapelaan wilde hem grijpen, maar hij rukte zich resoluut los.

"En waag het niet, nog maar één vinger naar onze Hans of ons Laurie uit te steken, Van Haezeldonck, want dan houdt niemand mij tegen, ook die god van jullie niet! Ge houdt uw handen thuis voortaan, verstaat ge dat?"

Van Haezeldonck verstijfde door het geweld in vaders stem. Ook ik werd vervuld van ontzag. Vader nam het voor mij op. Ik zag de ontzetting in Van Haezeldoncks ogen. En ik had niet eerder iemand zo kwaad gezien. Ik zag speeksel op zijn kin.

"Eruit! Weg van hier!" gilde hij.

Vader keek hem strak, onvervaard aan, en haalde zijn schouders op. Ik zag hem dat gebaar maken, zo duidelijk, zo rustig, zo overtuigend. Een menigte stond om ons heen, maar hij keek recht voor zich uit, kalm, onverstoorbaar, trots.

"Kom Lina", zei hij tegen moeder die niet wist waar zij moest kijken van schaamte. "Hier horen wij niet thuis, bij dit soort volk." En hij bedoelde dat wij anders waren, dat wij er ook geen echte behoefte voelden te horen bij die mensen om ons heen.

Vader en moeder keerden zich om, moeder zwaar op vaders arm leunend. De menigte week zwijgend uiteen. Het bloed klopte in mijn slapen. Ik probeerde, als vader, strak voor mij uit te kijken, niemand in de ogen. Weg van de kerk.

"Dat is toch waar, vader, wat ik zei? Dat Jozef en Maria niet getrouwd waren?" hield ik onderweg in de OverakKERSTraat aan, overmoedig door een vermoede gezinsband, een onverwachte warmte in mij.

"Dat willen ze niet horen, Hans, zoiets, ge moet oppassen wat ge zegt, en tegen wie. Als gij in de klas ook van die dingen zegt, geen wonder dat ge zoveel slaag krijgt."

"Als jullie ook niet getrouwd zijn, als Jozef en Maria, dan ben ik Jezus, en Laurie ook, vader, niet dan?"

"Hou er nou maar over op. Gij, Jezus. Ge bent nogal een heilige, gij."

Hij moest lachen. Vader moest om mij lachen.

"En hoe weet ge dat eigenlijk dat uw moeder en vader niet voor de kerk getrouwd zijn?"

"Van de schœur op sool."

"De scheur? De sœur bedoelt ge. Praat eens wat beter, gij."

De verlichte vensters, een flakkerende kaars. Ik klauwde naar de woorden die ik had gehoord.

"Wat zijn dat, vader, bastaards?"

"Breek er uw hersens niet over, Hans, daar bent ge te klein voor, voor die onzin."

Zijn toon sneed elk volgend woord af.



(fragment uit 'Koorddansen op Klompen', Boekscout.nl, Soest 2013)

Kringloop

Kringloop


Wat was het in die glimlach
dat mij het verstand ontnam?
Hoop fakkelde op en de vlam
verwarmde een kamer in me
waar ik haar had kunnen plaatsen.

De kassa van de kringloop
mijn altaar, en ik dronk
haar wijn, brak haar brood,
betaalde en schonk
de verwondering die zij leerde
weerkaatsen.

"Alles in orde?" vroeg zij
bezorgd en ik knikte,
willoos lam met stomheid geslagen.
Ik was ook mijn naam vergeten
en zoals alles, kan ik alleen
het moment terug- en terugkeren,
tot het allerlaatste.

woensdag 18 februari 2015

Onderhoud

Onderhoud


Het zijn nachtloze dagen
waar wij horizonten verhullen,
en ontkennen dat wij rennen
om niet te sterven,
waaromheen wij hekkens denken
om dat buiten te houden
wat wij miskennen te erven
en wat binnen ons huist.
Wij ontvluchten de verwondering.

Rituelen overtuigen ons
zoals de zee het strand,
de wind het water.
Wij stapelen gebaren,
tasten machteloos
en vrezen het bederven.
Wij dromen van later
en betreuren elke geboorte
die veroudering aantoont.
Wij noemen elkaar vondeling.

Het zijn zinkende verledens
die wij negeren zouden
mocht dat kunnen.
Wij verwachten dalende bergen
en alom neiging naar vlakte,
naar geen verschil onderling.
Een gedachteloos leven,
ploegen en kerven,
waarin wij het gegeven
landschap onderhouden,
meer niet.

dinsdag 17 februari 2015

Alle taal die ik zal leren

Alle taal die ik zal leren


Alle taal die ik zal leren
zal me in mezelf keren,
als een boom me wentelend,
rondom de kruin tollend
in een stormdag.

De maan trekt me terug
naar de sterren,
erkent liefde noch geweten,
mijn bloed welt tot vloed,
slinkt tot eb.

Mijn lief hoorde alles eerder;
in alle taal die ik herhaal
spatten woorden uiteen,
en verdwalen, ontheemde duiven,
dakloos.

De wandklok draait naar het einde,
telt mijn waarde niet in geld
maar in de liefde die ik gaf.
Mijn armen beschermen
veel te kort.

Kennis verplicht tot niets.
Wat moet zonlicht
zonder mijn ogen.

Alle taal die ik zal leren
zal me in mezelf keren
en nooit meer terug.

maandag 16 februari 2015

Ze brengen het terug

Ze brengen het terug


Ik walg van de wachtkamers
waarin ik verzeild raak
als ik schrijf over vrijheid,
telkens weer.
Ik weet dat ik ze zelf bouw.

Vanmiddag keek ik naar
overvliegende vogels
achter in de brandende tuin,
en ik hoorde de afstanden
die ze overbruggen.

Hun legers overmannen me,
marcheren over me heen.
Ze willen nooit weten wat ik wil,
strijken neer
waar ik ze niet zie.

Ze brengen het terug
in eindeloos lange processie
wachtend aan de voordeur,
zwijgend als kaarsen.
Ze brengen het terug,
loze woorden over vrijheid,
afgewezen kruimels.

Ik delegeerde de aantekeningen
aan een tafelblad.
Ze brengen het terug,
en ik zit ermee.
Ik weet dat ik ze zelf lok.

16 februari 2015

De hand die de vrouw sloeg

De hand die de vrouw sloeg


De hand die de vrouw sloeg
omhult zijn sigaret
tegen de wind.

Is zuinig en zorgvuldig
met zijn gereedschap,
zijn gerei, gerief.

Is zelden in rust,
gesticuleert, wuift,
schudt andere handen.

De ogen die de tranen zagen
kijken nu naar mij.

De hand die de vrouw sloeg
aarzelt en verdwijnt
in een broekzak,
en zoekt een shagbuil.

Uit: Tot waar het wringt, Heimdall 2014.

zondag 15 februari 2015

Annie slaapt

Annie slaapt


Ik ben hier nu alleen
(Annie slaapt)
en het dorp buiten zwijgt;
ze weten niets van mijn bestaan
(ik niets van hun).

Morgen
valt morgen om me heen
als een lauwerkrans
en gaat alles vanzelf
(denk ik).

zaterdag 14 februari 2015

Tussensprint

Tussensprint


Ik neem een aanloop,
en nog een.

Ik heb de uitzending gemist.
Het beeld kenterde
en kantelde het speelveld binnen.
Ik leerde duiken.

De straat verdween
waar ik rende.
Ik ben ver weg,
waar ik ook ben.
Ik ontsta uit herinneringen
en kan zweet ruiken.
Pijnstiller, durf te dromen,
ontwijk de bende.

Ik sprint
en bereik de overkant.
Een volgende sloot nadert.

Er mag geen dag ontsnappen
of er moet een bloem ontluiken.

14 februari 2015

vrijdag 13 februari 2015

Waar wachten we op?

Waar wachten we op?


Linksboven de carnavalsclowns, brouwerijreclame,
doos met maskers en pruiken, 150m afzetlint diversen,
daarnaast de plastic kerststal met maria, jozef,
os en ezel en opblaasjezus, apart de schapen en herders
en de drie wijzen uit het oosten, gecombineerd met paashaas,
mandjes met gekleurde kalkeieren en wijkfeestborden.

Rechtsboven de gecombineerde halloween en kerstdoos
met rendieren, arrenslee, kerstman, hulsslingers,
sneeuwspray en opvouwbare kerstboom met ballendoos,
lampionnen, verlichte pompoenen, griezelmaskers, kaarsen,
bruiloftsversieringen en vrijgezellenavondspullen.

Linksonder slingers en ballonnen voor het oranjefeest,
klokken, nog wat hulstrand, gecombineerd met 2 heliumflessen
voor elk 300 ballonnen, plastic wanddecoratie diversen.
Ook geblokte tafelkleedjes voor het oktoberfest, dirndls,
lederhosen en extra dienbladen met bierpullen 1 liter.

Rechtsonder de klapleuntafels, de ballen en korven
van het sporttoernooi, 2 dartborden incl. scorebord,
sjoelbak, gecombineerde dam / schaakborden, tafelkleden en
servetten van het zomerfeest, vlaggen, de doos met spullen
voor de communiefeesten en wandbekleding voor de herdenkingsdiensten.

Tegen de achterwand de grote vouwtafels, klapstoelbakken en
natuurlijk de maxiwodo's met losse vulling. Het rodeopaard
staat in het schuurtje, het kassahokje ook.

Nog vragen?

Thuis

Thuis


Het regende onderweg naar huis
en het was koud.
Ik dacht aan jou,
hoe je op me zou wachten.

Meestal lees je ‘n boek,
of blader je in ‘n tijdschrift,
en zit je op de bank,
in het midden,
de radio aan.
je kijkt op als ik binnenkom
en glimlacht.
Daar dacht ik aan.

Je las de krant,
maar de rest klopte wel.

29 november 1973

donderdag 12 februari 2015

Wolk van duisternis

Wolk van duisternis


Doe me een plezier,
wilt u mij niet amuseren?
U hoeft mij geen
bestaansreden te geven,
ik ben er al.

Houdt u mij alstublieft
ook niet bezig?
Ik heb nog zo kort te leven.
Ik heb veel nodig
maar kan uw bedrog missen.

U moet iets
voor de kost, wie niet.
Zoek een andere klant,
u kunt mij negeren.

U hoeft niet eens
te reageren.
Ik kan zonder uw waarheid
u zonder mijn geaardheid.
Als ik u gelijk geef
gaat u dan weg?

Het is een wereld van feiten
buiten op straat.
Hij huivert.
Alle lampen doven
aan de overkant,
en het gebouw verwijdert zich
in een wolk van duisternis
zonder om te kijken.
Hij en ik nu.
Hij vandaag, ik morgen.

Zijn vacuüm zuigt,
ik sluit de deur.
De deur sloot.

12 februari 2015

Houdbare woorden

Houdbare woorden


Een pronkpauw
tussen overdreven mussen,
een schijnwerker
tussen arbeiders,
gekooid in zijn tempel.

Hij denkt met de wind mee,
vandaag.
Hij graaft verder
onder mijn muren,
verhoogt huur en drempel,
legt beloftes vast,
nietszeggend onderschreven,
de woorden houdbaar.

Een ambtelijk gebaar,
alleen nog de mantel
van een ceremonie.
In functie,
uit gewoonte, meer niet.
Hij telt zijn dagen af
en beslist over mijn toekomst
in een pennenveeg
met stempel,
onhoudbaar.

12 februari 2015

dinsdag 10 februari 2015

Het verschil maken

Het verschil maken


Je leest de krant
en ik zie je zitten
onder de lampenkap,
binnen,
in je woonkamer.
Wat is dat,
een woonkamer?

Ik loop voorbij,
de kinderen zijn naar bed
en je man kijkt televisie.
Het is zover.
Je hebt alle boeken gelezen.

Je draagt je bril,
want er komt toch geen visite.
Wat is dat,
visite?
Ik zie je tellen,
de overlijdensberichten.
Je moet er over praten
maar weet woorden
noch verlangen.
Je moet nog ontkalken,
de zolder ruimen,
de tegels soppen,
compassie tonen.
Wat is dat,
compassie?

In de weekeinden
zijn er bars,
komt en gaat familie,
of is er televisie thuis.
Spiegels, alleen spiegels.
Ik hoor je stem
niet.
Ik moet het verschil maken,
maar heb zelf haast
om binnen te komen.

10 februari 2015

maandag 9 februari 2015

De taak van de dichter

De taak van de dichter


Ik brand
dus ik besta.

Boomtakken schudden.
In volstrekte paniek
en gestrekte draf
overvalt de dag me,
trappelend huisdier,
verminkt door tralies.
Bedreven traceer ik tranen,
maar ik kan niet troosten.

Ik verga,
dus ik besta.
Als de storm
nu even de boombladeren stilhoudt
kan ik ze vastleggen,
compleet.

Uit Tot waar het wringt Heimdall 2014.

zondag 8 februari 2015

Gleichfals

Gleichfals


Dadelijk de val.
Gabriël, val, en
neem me mee
naar de hel want
deze is wel zo
on(h)eerlijk warm.

Maar o zo koud
want jij bent daar,
de ijskoningin
in mijn leven.
Immer bevries ik
met jou
zelfs daar.

Hollikidee, Holiday,
Holleeder on ice.

On ice!

Op het bevroren water
liep hij, ik zag hem gaan
en zei de mensen;
"Hij is een bedrieger!"

Hij bracht mij meer
dan liefde namelijk
de dood aan een boom
door schuld, de schuld
werd aan mij betaald
in florijnen want
rare jongens,die Romeinen
ze hadden ook een
VOC-mentaliteit.

De voorchristelijke Elflandentocht
waarbij het lam de zonden wegnam
en daardoor beter smaakte on ice.

In de mis begint het gezuip,
wijn zonder krans
maar wel verdund,
en daarna een mogelijke kroegentocht
langs slagerijen en slachthuizen
van de moraal en moreelbesef
binnen een grachtengordel
vol ongedierte, maar wel
wereldsmartberoemd in
de polder.

De zondaagsekroegenkolder
na het zingen de kerk uit,
in de kop en onderwijl het besef
het is nog steeds zo vroeg
op deze zon(daar)dag.
-------------------------------------------------------------
I.s.m. Derrel Niemeijer

zaterdag 7 februari 2015

De dagendief

De dagendief


U hebt geld,
dus familie en vrienden.
Ik word ontdaan van relaties
en oog blijvend belast.
Regenwater werd bronwater,
en droger uit weemoed.
Ik steel dagen bijeen.

Ik slaap beter en dieper
meteen na het ontbijt,
het zwembad leeggepompt,
schoolplein verlaten, boek vermolmd.

Zij verzorgt wat er nog is,
haar naam bij elk weerzien anders.
Ik ruik zeep en parfum
en zweet, maar dat kan het mijne zijn.
Moeheid doortrok mijn leden.

De winterwind kan ik weren, die ken ik.
De koude in mij schimmelt en woekert.
U verkoopt me angst voor de dood
maar het is het leven hier
dat ik vrees.

Mijn stenen hart
houdt de brokken bijeen
tot ik word betrapt.

7 februari 2015

vrijdag 6 februari 2015

Atlas en de lege rugzak

Atlas en de lege rugzak


Geen zorgen,
mijn pad zoekt zijn weg
over rozendoornen,
spiegelglasscherven en kruishoutsplinters.

De aarde is niet van mij,
ik ben van de aarde
en heb geen waarde en statiegeld:
lever mij niet in.

Mijn schouders eronder -
dat was geen keuze,
toen ik in de spiegel staarde en terugkeek:
iets wat op mijn rug leek
kromde zich en brak;
niet de woorden maar de stem verstomde,
en de rede verdwaalde.

Geen zorgen,
een lege rugzak:
moest dat ooit kunnen
zou ik het mij niet gunnen:
belast, beladen,
gebocheld en gebogen,
onderscheiden mijn ogen
mijn schuifelende voeten
op dit leegbloedende pad.

Zoals ik al loog:
geen zorgen.


(Uit Tot waar het wringt, Heimdall 2014)

De wederzijdse deur

De wederzijdse deur


Woorden stokten
bij een komma,
een spatie.
Een witregel tussen ons
sloot de deur.

Niet te negeren,
maar dat deden we wel,
feestend
van deur naar deur.

Van witregels
naar blanco bladzijden
naar holle boeken,
lege levens,
op zoek naar tekst,
een naar beide zijden
te openen deur.

5 februari 2015

donderdag 5 februari 2015

Mag een dichter autorijden?

Mag een dichter autorijden?


Een dichter met uw dochter:
dat kan,
daar komen strakke dichte baby's van.

Maar achter het stuur
omarmt hij elke spookrijder,
ontwijkt hij voorgestelde routes,
vertaalt hij verkeersborden en reclames
en etalages en radioberichten en graffiti
tot woorden vol jeugdzonden, snijwonden,
verwondering en afzondering;
hij komt met armen vol taal thuis
en vergat de boodschappen.

Is hij handelsbekwaam?
Zolang hij nog woorden vindt wel,
en elke avond,
in uw gehavende havens,
zingt hij verhalen
over bestemmingen die u niet kende.

Zijn baby's kirren.

Blijf ontkennen

Blijf ontkennen


De vaste pagina.
Versteend op papier
beitelden nabestaanden
hun verlies.
Gestolde kennisgeving,
voorgoed verankerd.

Snijdende letters.
Wat leek beloofd
een omgeslagen bladzijde.
Doorleven ondenkbaar,
kiezen is verliezen.

Ik ben niet somber.
Ik beeld af
en weiger elke waarheid.

Kranten
stapelen zich op.
Wij groeten de ochtend
en blijven ontkennen.

5 februari 2015

woensdag 4 februari 2015

Hier hoort een rivier

Hier hoort een rivier


Hier een straat,
huizen vermoeid zij aan zij,
echte auto’s en fietsen.
Lantaarnpalen volgen
vergeefs zonlicht in
een verder leeg schilderij.

Hier een brug,
de wind vecht stroomopwaarts
uit gewoonte,
bomen en tuinen
in onvaste tegenspraak.
Afgelopen bladeren
hechten zich aan water
als schipbreukelingen, de
wind negeert een tijdschrift.

Ik verstuif woorden
over wachtende boomgaarden.
Tussen de regels
van gespiegelde wolken
lees ik onthechte leegte.
Zaad ontkiemt zwijgend, en
er stroomt geen rivier.

4 februari 2015

Is er iets?

Is er iets?


Ze kijkt naar me,
ik doe mijn best
niet te acteren.

Als ik haar aankijk
glimlacht ze,
en dan ben ik verloren.
In die zon lost
mijn mist op,
en kijk ik
onopvallend weg.

"Is er iets?"
vraagt ze dan.

"Eh - nee."

Ze drijft weg
als een tak in een rivier,
en ik weet echt niet
hoe ik haar bij me moet houden.

14 januari 1974

dinsdag 3 februari 2015

De lift

De lift


Ik daal af
en verdwaal.

In de ochtend ver in de verte
een jonge vrouw in de zon
en mateloos iedere avond
de oversteek naar de morgenwereld.

Val vlinder in grindkuilen,
blaren hakken in de schenen,
balanceer meesterlijk op blote tenen,
langzame lawine van een berg zand,
klim in de boomgaard
en vecht om een vrucht onrijp,
reik in de volle bladerkruin
en hap in peren geelgroen.

Ik ben rijk en machtig.
Ren door lege armoestraten
nagejouwd door de gemeenschap,
tranen heet op je perzikwangen,
blauwe ogen bloedneuzen.

Te grote laarzen baggeren in sloten
en kroos en kruipen in
het herfstweer de weiden over,
prikkeldraad en eindeloze trektochten naar
plekken waar je al vaak was
maar die je nog nooit
had bezocht, kikkervisjes vangen
en altijd de ogen rusteloos open.

De te levensgrote zwarte dood
spreid vleugels wijd
en beperkt je gezichtsveld tot nihil,
je valt gillend achterover,
om eenmaal opgestaan te
merken dat iedereen lacht.

Dan
begint de aftakeling.
je hunkert terug naar de aarde
waarin je wroette,
en het groen, het groen,
de verrukking over de zonsopgang/zonsondergang,
verwondering over wolkenformaties.
Je verliest iets,
je menszijn.
Je hebt voor alles een verklaring
en nodig.
Terwijl je altijd zo doodserieus was
nu de leugens,
en de laarzen klein ineens.

Ja, je sterft als je een god nodig
hebt om zaken te verklaren
die toch zo klaar waren.
Als kind nog beseffend hoe treffend
de wereld is, slechts je ogen en de natuur.
Moeder aarde, verder niks.
Dat is leven: daarmee bezig zijn,
verder niks,
dubbeltjes zoeken onder kerkbanken,
snot en tranen,
zonder heimwee of verlangen,
slechts het beseffen, weten, verstaan,
goed zonder hoop,
fout zonder angst.

En nu, nu wacht ik bij het spoor
naast een volle bietenwagen.
Vroeger was ik over de bomen heen gesprongen,
desnoods ook nog over de trein,
maar nu, dat niet willen eindigen
als een
overlijdensadvertentie in de krant.
Haar handen merk ik opeens
in de mijne,
d     e   t  r ein dender t voo r b  i     j
en dan keren de bomen opwaarts.

Zenuwen en verstand voortdurend
in gebruik, bezet, bezig.
Ik daal af
en verdwaal.

De zondagochtend, de wandeling in het kunstbos,
de auto op de parkeerplaats dicht.
Kinderen spelen in de bossen,
vallen uit bomen en breken geen benen,
worden overreden door een auto
en blijven springlevend
met een schrammetje op het rechteroor,
doornat uit sloten gevist [stop]
en spiernaakt rondrennend op straat,
verdomme.

Ik begin te begrijpen
maar geef me meer tijd.
Alles is belangrijk, zelfs dit,
maar niets belangrijk genoeg.

Dans in de weiden [stop]

Vergeeld de herinneringen, vergeef me,
neem mij niet kwalijk alstublieft,
ook ik maak fouten.

Daar
is de
avond.

Gelukkig ging de lift omhoog
en bleef het gebouw staan.

[stop]

3 februari 2015

maandag 2 februari 2015

Plakengelen

Plakengelen


Ik vond het plakboek
vol knipselvrouwen,
decent, onbereikbaar, heilig,
veilige beloning,

op de bovenste plank
van de kledingkast
in zijn nagelaten,
verlaten woning.
Vergeeld papier,
verdroogde lijm.
Door zijn vingers
gestreeld, bespeeld.

Keurig ontkleed.
Ongenaakbare engelen
in verstilde vertoning,
in nietjes
opgeprikte vlinders.

Een snelle ontruiming,
alles naar de kringloop.

zondag 1 februari 2015

Menselijke resten

Menselijke resten


De stem zocht houvast
in de tekst
waaraan ik nipte.
Bij vaker lezen
raak ik afwezig
en kiemt zaad
tot ontknoping.
Ik vind menselijke resten
ín elk woord dat nog
herkomst zoekt
bij nader inzien.

Haar kus kwam niet
over haar lippen,
haar blik miste mij.
Buiten de grip
van eb en vloed
stokte haar tirade
in ijdel gebeitel.
Haar hunkering bleef
een ongevuld bed.
Na afloop
bleek alles kleiner,
ook het inzicht.

In de staande receptie
na de vernissage bedwong ik,
afgerichte, zindelijke aap,
op ontregelende ooghoogte
naast melkwitte lampenschotels,
hoepelrokken met petticoats,
de impuls tot inkijk.

1 februari 2015