vrijdag 30 oktober 2015

Opstandig

Opstandig


Een bitter jubileum,
de tiende jaardag
van zijn overlijden.
Zij verstrooide de as
deels op het geliefde stuwmeer
naast de verre camping
waar hun caravan jaarlijks stond,
deels op de eendenvijver
in hun woonwijk.

Zij staat op de loopbrug
tussen hondenuitlaatterrein
en buurtsuper
en vraagt, wenst, smeekt, bidt
met heel haar gestripte hart
om zijn opstanding,
dat het verkoolde zaad
weer zal kiemen.
In tranen wendt zij zich af,

keert terug naar het huis
dat steeds minder past,
en achter haar rug
op stuwmeer en vijver,
komt haar geliefde weer tot leven,
als elk jaar
slechts een rimpeling,
siddering op de waterspiegel,
nog net geen golfslag,

om opnieuw
de verdrinkingsdood te sterven,
in ontelbare stofdeeltjes
op de donkere, kille bodem
daar beneden.

Allerzielen 2015.

woensdag 28 oktober 2015

Hard: een afscheid


Hard: een afscheid


Een botsing, machtig magistraal,
dat is het precies, exact,
en beangstigend hard.
Een botsing met het niets
na het vaarwel.

Het tart en sart
de verbeelding,
en is verstikkend,
doorslikkend, wurgend.

Ineens klein
met de handen in de zakken
van je jas gestoken
huiverend in zonlicht,
de ogen gericht op het
fietsenrek aan de overkant.

Alles te groot,
veel te plots,
door zoiets groots zo klein,
van worden tot zijn
in een mensenleven,
maar koud
en beangstigend hard.

En dan
is er geen dan meer.
Maar toch nog te jong,
in je jas op straat,
op de stenen, de koude stenen,
in de zon,
en zo beangstigend hard,
hard.

Metalen ogen
kaatsen alle licht terug
en je ziet alleen
jezelf alleen
en te hard.

maandag 26 oktober 2015

Vuurspuwer

Vuurspuwer


Slapeloosheid
en gemors van woorden.
Een toevallig geplande ontmoeting
triggert overdoses herinneringen
aan wat zij deden.

Vuurspuwer, rotsduwer.
Hij spreekt met hindernissen,
blaren op de tong,
over een verlicht vonnis,
levende kennisgevingen
lekken in cameralicht
uit het onverwerkt verleden.

Het smeulen ontbrandt
en wordt aangewakkerd.
De glazen ogen willen wat,
willen alles van hem,
onblusbaar uitslaand vuur,
zijn gebaren verbergen niets.
Rusteloze deskundigheid
niet meer dan een truc, een act,
en het publiek is getuige,
volgt hem als vlammen.

Een dag als deze
werpt hem monddood terug
en het vergt kostbare tijd
terug te krabbelen
aan de bar, bergopwaarts,
nooit meer beneden.

Elk moment kan hij opstijgen,
zijn woorden meenemen
en de verslaggeving staken.
Volg hem, hij valt aan.

vrijdag 23 oktober 2015

Zorg aan huis

Zorg aan huis


Ik heb het gras gemaaid,
de dakgoot gerepareerd
en de afvoer ontstopt.
Ik zweet mannelijk.

De deur is een beslagen spiegel
in de benarde caravan.
Ik gooi het washandje
op de douchevloer
zodat ze moet bukken.

Objecten in de spiegel lijken groter
dan ze in werkelijkheid zijn.
Mijn blote hoofd kakelkaal,
geplukte haan.

Het heeft hare majesteit behaagd.
Mijn handen speuren naar werk.
Buiten doorzoekt een storm het maïsveld.
Het is goed weer om binnen te blijven.

Ik presenteer mijn gereedschap
voor de laatste klus.
Degelijk vakwerk.

Uit: Erotica! II, Spleen 2105

maandag 19 oktober 2015

Meldpunt poëzie


Meldpunt poëzie


Meldpunt poëzie

'Ik ben binnen
veel groter dan buiten.'

Zij kijkt snel om zich heen
wie naar haar kijkt
en in de spiegels
wat ze zien.

Ik haal mijn jas van de kruk.
Ik ben er, ik zit er,
ik app en twitter
niet.

Ik geef haar toe
dat de marteling
niet van harte ging,
en dat mijn jas daar niet
om haar te tarten hing.

Hoe bitter.
Negeer het vuurpeloton
en voer de leeuwen
met woordkruimels.

vrijdag 16 oktober 2015

Eerst koffie


Eerst koffie


Ik kan het niet,
stil staan.
Ik tol van een helling,
doelloos.

Elke ochtend is hetzelfde
als je alleen bent
met herinneringen en verlangens.
Eerst koffie
om te wennen aan daglicht,
de rest is routine.

Toen zij bij me was
was alles anders.
Ik zie haar nooit meer
en de dagen lengen
en lengen.

Ik ben volkomen
kansloos in de kantine.
Ze vertelt me
waar ze geweest was
en met wie.
Ik luister
en herken geen woord.
Ik wou
dat ik haar bereiken kon.

Ik haat mijn jas
over de stoel achter me.
Eerst koffie,
dan val ik verder.

donderdag 15 oktober 2015

In bekend landschap


In bekend landschap


Niets voor mij,
niets doen.
Ik zou verdwalen
in bekend landschap.

Ik heb het geprobeerd
en merkte eerst niets.
Uit de opluchting
weer wat om handen te hebben
leerde ik hoe fout ik was gegaan.

Onbegrijpelijk
dat zo veel mensen
totaal niets doen
hun hele leven lang.

woensdag 14 oktober 2015

Marijke in de zon


Marijke in de zon


Ik loop als een hark
naast Marijke in het park.
Marijke in de zon,
ahhh. . .
Marijke op haar hoge hakken,
riskeert wel duizend ongemakken,
en is zo moeilijk te pakken,
Marijke in de zon.

Ik spring als een veer
naast Marijke op en neer.
Marijke in de zon,
ahhh. . .
Marijke op haar hoge hakken,
verwart haar haren in de takken,
ik hou m’n handen in m’n zakken,
Marijke in de zon

Dan valt ze met een bons
op het mos zo zacht als dons,
Marijke uit de zon,
ahhh. . .
Marijke zonder hoge hakken,
nu zo simpel om te pakken,
en zo heerlijk om te smakken,
Marijke uit de zon.

Ik gooi haar heel hoge hakken
weg door de gebogen takken
van de bomen. . .

En staat ze dan weer op,
Marijke klein als een pop,
Marijke in de zon
ahhh. . .
Marijke zonder hoge hakken,
ik moet nu door m’n knieën zakken,
wil ik haar bij haar haren pakken,
Marijke in de zon

ahhh. . .

zomer 1965

vrijdag 9 oktober 2015

In de rookruimte


In de rookruimte


De zon daalt,
schaduwen verdiepen,
hier komt mijn tijd.
Aan de kapstok
jeans, sneakers
en schapenvacht.
Ik ren gebukt en opgefokt
achter schuttingen, struiken,
heuvels, gevallen bomen,
tot het donker wordt.

De buitenwijk uitgestorven,
er is niemand meer
of er is nog niemand
in deze nacht,
alleen de maan,
vertrouwd en oud.
Kippen, geiten opgehokt,
de mensen schuilen
achter licht en muziek,
het journaal, een soap,
wat televisiesport.

Neus in de wind,
speeksel langs de kin,
honger in de maag.
Ik bereid me voor op
de volmaakte misdaad,
de vacht nauwsluitend,
vol nicotine en brandlucht.
De prooi is weggelokt.
Ik onderdruk wolvenzang,
hoor voetstappen,
ruik een sigaret.
Nu. Snel. Kort.

maandag 5 oktober 2015

ZES HUIZEN

ZES HUIZEN


Het Eerste Huis: De Blokhut


Het eerste huis van mijn herinneringen ligt in een bos. Ik parkeer mijn auto langs een provinciale weg, op een natuurgebied van Staatsbosbeheer. Ik sluit af en wandel het bos in, snel omdat het koud is. Mijn lijf past zich aan: ik krijg kippenvel, ril, ga dieper adem halen, en krijg het warmer. Mijn enkels zwikken over wortels en losse takken. Ik buig over het pad hangende takken weg; natte bladeren stromen door mijn handpalmen, een tak zet een kras over de huid van mijn voorhoofd. Rijpresten en losse waterdruppels spetten op mijn gezicht, vullen mijn wenkbrauwen en wimpers. Na enkele percelen is de ruimte tussen de bomen donker en gevuld met muren van nog meer bomen. Een paar bochten, dan een lang recht stuk, licht golvend, enkele kilometers lang in een steeds stiller bos. Ik zie geen eekhoorns of egels, hoor geen merels, kraaien of mussen, wiebel over mos en herfstbladeren met paddenstoelen en zwammen. Een steeds vager pad, gaandeweg louter herkenbaar aan de afwezigheid van bomen. Het is weer gaan slingeren, rechts, links.
Dan een aantal losse palen, in de grond geslagen. Het eerste teken van cultivering. De palen worden gaandeweg onderling verbonden met dwarslatten, een omheining, hoger naarmate ik verder loop. Rechts en links van de weg, ik loop nu door een gang, die steeds smaller wordt. Ik spreid mijn armen en mijn vingers raken het hekwerk links en rechts. Een serpe, scherpe bocht links, een rechts. Aan het eind van het pad een hek, en daarachter, onder een treurwilg, een klein huis. Rieten dak, kleine ramen. Een waterput. Mestdamp. Een openstaande deur.
Binnen alleen licht door de deuropening en twee ramen, en een flakkerend haardvuur, waarvan ik de warmte op mijn wangen voel. Ik ruik houtskool en urine. Een tafel, stoelen, een bedstee. Een tenen mand met speelgoed, een rubber aap, een gebreide clown, een schommelpaard, houten blokken, een blikken trommel. Op tafel ingelijste foto’s, schoenendozen met officiële, ambtelijk ogende papieren, distributiebonnen, luchtpostenveloppen, veel losse foto’s, wat briefkaarten, bidprentjes. Ik krijg het warm en gooi mijn jas los. Ik voel zweetplekken onder mijn oksels, over mijn nek en ruggengraat.
Er is niemand in de kamer, ook niet in de kleine keuken, ook niet in de kleine slaapkamer de trap op, ook niet in het schuurtje links achter het huis.
Ik ga liever niet naar dit huis; als ik even niet heb opgelet ben ik er weer.


Het Tweede Huis: De Aula


Het tweede huis van mijn herinneringen ligt naast de ingang van een grote aula. Ik kom van buiten waar een harde wind rond de fundamentpalen waait en loeit en stadsverkeer raast met bussen, een cementwagen, vrachtauto’s, claxons, diesels. Betonnen staanders, glaswanden, trappenhuizen, een centrale schacht met twee liften. Deuren slaan, stoelen schuiven over vinyl. Kantoren, wachthoeken met skai zitbanken, glazen tafels, asbakken. Een ontvangstbalie, onbemand. Ik hoor praten, roepen, lachen en kantoorgeluiden, telefoons, faxapparaten, typemachines, mijn ademhaling. Door de ingang met een draaideur kom ik voor een trap met open treden, beton, hout. De ruimte galmt als een kathedraal. Liftdeuren zoeven open en dicht, voetstappen, tikkende hoge hakken, piepende sneakers. Ik beklim de trap en kom op een tussenverdieping, links en rechts gesloten deuren. Ik open rechts een deur. Een kleine hal, links een glazen wand met zicht op de hal, rechts weer een smalle trap. Ik klim verder en kom op een klein platform met weer een glazen deur. Ik ga naar binnen.
Een langgerekte kamer, vol verhuisdozen, kisten, koffers, tassen, opgerolde vloerkleden, schilderijen in lakens verpakt. Een plankenkast met stapels boeken, dictaten, schriften, multomappen, schoenendozen vol foto’s, knipsels. Net aangekomen of gereed voor weer een verhuizing? Achterin een trap naar een open slaapkamer. Een beslapen bed rechts. Een wekkerradio speelt zacht. De glazen wanden zijn dichtgeplakt met een wereldkaart, posters, behangpapier, kranten, tekeningen. Er is geen keuken maar wel een klein keukenmeubel, met water en een tweepits kookstel op een butagasfles. Er staat afwas in de spoelbak, de prullenbak staat half open en zit vol gefrommeld cadeaupapier, strikken, plakband. Er staat een volle asbak naast het bed. Overal bierflessen, los en in twee kratten Dommelsch.
Er is niemand in de kamer, ook niet achter de dunne muur achterin, ook niet in de inloop-kledingkast links, ook niet in het toilet met wastafel links achter.
Ik ga naar dit huis voor dromen waaruit ik ben ontwaakt.


Het Derde Huis: De Fabriek


Het derde huis van mijn herinneringen ligt in een fabriekshal, een stalen constructie, hoog en breed als een kathedraal. Ik snuif en ruik snijolie, ozon en lasgassen, verflucht uit een spuitcabine. Ik zoek mijn weg tussen draaibanken, freesmachines, slijpbanken, rekken met halfproducten, gereedschappen, tussen afschermingen, hekkens, metalen wanden met ramen, gele vloermarkeringen. Een vage reuk van koffie en chocolademelk uit een automaat. Kalenders, pin-ups, schema’s, lijsten. De staanders van de hal zijn beschilderd met grote nummers ter oriëntatie. Een gele heftruck stinkt naar diesel, zwemen van brandlucht, ontvettingsmiddel. Een halfopen afvalcontainer ademt een mix van geuren uit. Er branden groene lampen met UITGANG. Er komt nog daglicht door de hoge ramen rechts, maar het is roodgekleurd. Er blijft een spaander in mijn rechterzool steken, ik pulk hem los. Aan de linkerkant achterin is een toiletblok en een tweepersoons bedrijfskantoor. Er hangt een lichte urine- en chloorlucht, ik ruik een citroenige geurverfrisser. Ik beklim een stalen trap, de koude metalen reling vasthoudend tot ik een overloop bereik. De vloer bestaat uit gegalvaniseerde roosterplaten en ik kan er doorheen kijken. Links een houten kantoordeur, op een kier open.
Er staat een koelkast achter naast het raam, en daarnaast een bed. Langs de wanden staan metalen voorraadkasten, allemaal gevuld met A4 mappen, genummerd. Dozen, wat kisten met verfblikken, een gereedschapskist, een fiets links. Ik loop verder en passeer een kledingrek met tassen, een overall, een helm met veiligheidsbril, handschoenen, laarzen. Een zaklamp, een rolmaat, een stapel notitieblokken, een bak potloden, tekenlinialen, gummen, een puntenslijper. Achter het rek een wastafel aan de wand, een spiegel, nog een rek met onderkleding, handdoeken.
Er is niemand in het kantoor, niet achter de bureauwand rechts met tafel, postvakken, telefoon en computer, niet in het toilet rechts achter.
Ik ga naar dit huis voor de verslavende illusies van zingeving.


Het Vierde Huis: Het Badhuis


Het vierde huis van mijn herinneringen ligt in een buitenwijk, een voormalig industriegebied. Ik parkeer mijn auto op een leeg parkeerterrein, haal mijn tas van de achterbank, sluit af, spuw de fresh mint kauwgom in de goot en klim het bordes op naar de ingang. Het badhuis is in een verbouwd kantoorgebouw. In de hal hangt een wegwijzerbord naast de lift. Ik druk op de pijl naar boven en wacht tot de cabine op de begane grond aankomt en de deur openschuift. De cabine is leeg. Ik ga binnen en druk op de knop met 9. Op de wand is graffiti gespoten en overal, tot op het plafond, zitten stickers. Ik boer en proef oude kaas op bruin brood op mijn tong en in mijn neusholte. Op de 9de verdieping is weer een kleine hal, en om de hoek sta ik ineens in een grote ruimte, overal ramen, in het midden de badruimte. Links van de ingang is een receptie annex bar, maar er staat niemand achter. Ik neem een pepermuntje uit de schaal op de toonbank. Er klinkt onbestemde muzak, dezelfde als in de lift. Naast de bar een lange wand met kluisjes in zes etages. Alle kleppen staan min of meer open. Er zijn meerdere badingangen, geen enkele deur is dicht. Het is stil, maar ik hoor water stromen en een verwarmingsapparaat aanslaan.
Ik ga een deur aan de zonzijde binnen. De hele ruimte is bekleed met witgeglazuurde, vierkante vloer- en wandtegels. Er zijn douches, ligbaden, stoomcabines, sauna’s, en centraal een koudwater-dompelbad. Er is een lange gang met houten deuren, en ik ga willekeurig een van de cellen binnen. Ik sluit de deur, klap een houten bank omlaag en kleed mij uit. Ik haal een grote witte handdoek en parfumvrije douchegel uit mijn tas en douche lang en grondig; het water is eerst te koud, dan te warm, dan stabiliseert de temperatuur. Het smaakt licht naar chloor. Naderhand haal ik anti-allergene deodorant en tandpasta uit mijn tas en kam ik mijn haren. Er zit nog een boterham met zoute knoflookcervelaat in aluminium folie en een zure appel in mijn fitnesstas. Een halve reep zoete melkchocolade met hazelnoten. Ik tap een cappuccino met kaneel bij de bar. Ik hoor de warmwaterinstallatie ergens boven mij, maar geen andere stemmen en ook geen muziek.
Er is niemand in de kleedkamers, in de gangen, ook niet in het kantoor bij de toegang, ook niet op het parkeerterrein, ook niet op de exitweg van het industrieterrein. Er ligt nog een halve Mars op de stoel naast me.
Ik ga naar dit huis voor reiniging. Ik ga vaak.


Het Vijfde Huis: Het Spiegelhuis


Het vijfde huis van mijn herinneringen ligt niet op een vaste plaats. Het is waar ik ben, omsluit mij als een zeepbel; ik let even niet op en ineens zie ik mijzelf half weerspiegeld, doorzichtig, en als ik mijn handen uitsteek is er glas, hard en onbeweeglijk. Als ik beter kijk zie ik de voegnaden van de glazen wanden en sommige zijn spiegels. Daarin herken ik mijzelf, maar niet altijd, soms pas na een paar tellen. Meestal zie ik mijzelf herhaald in weer volgende spiegels, vóór en achter mij, links en rechts. Geen enkel spiegelbeeld is eender, de gelijkenis varieert van vaag tot vreemd, de totale vorm laat zich niet vastleggen in woorden. Soms vangt een spiegel zonlicht en dan weerkaatst en caramboleert dat om mij heen, als rechtlijnig regenboogvuurwerk.
Er is niemand waar ik ben, ik zie overal mensen in hun dagelijkse bezigheden, maar altijd in een andere ruimte, achter glas, weerspiegeld, als poppen in een etalage, ik zie hun lippen bewegen maar hoor geen stemmen, neem geen geur of smaak waar; ik zie hun gebaren maar begrijp geen verbanden. Ik zoek met mijn ogen van wand naar wand, maar het maakt niet uit, de kamers en gangen zijn allemaal eender, ik zie net zoveel in stilstand als in beweging.
Net zo plotseling is het huis weer verdwenen, ben ik kennelijk door een uitgang naar buiten gelopen. Ik was alleen in het spiegelhuis en ben nog steeds alleen buiten; ik ga verder met waar ik mee bezig was.
Ik ga nooit naar dit vijfde huis: het komt naar mij toe en omarmt mij met angst.


Het Zesde Huis


Het zesde huis van mijn herinneringen heeft geen naam. Zodra ik het een naam geef, verdwijnt het, is het geen huis. Het is slechts één van de huizen in een eindeloze, grenzeloze stad. Elk huis is anders, van klein tot groot, laag tot hoog, leeg tot vol, oud tot nieuw, arm tot rijk. Elk huis verandert ook voortdurend, als herinneringen die door het geheugen talloos en willekeurig worden hergebruikt. Elk huis komt mij altijd bekend voor. Ik kan het met ogen dicht en zonder te zoeken vinden, maar steeds vaker vindt het mij. Er is altijd de ordenende logica van de muziek, soms luid als een waterval, dan weer nauwelijks hoorbaar, zodat alleen wolven reageren. Woorden, zinnen trekken elkaar aan, stoten elkaar af. Ik dans figuren en patronen als redeneringen. In het Zesde Huis zitten alle vijf vorige huizen; het is het oudste huis. Ik weet wanneer ik er ben, zonder na te denken. Het beweegt met mij mee. Het groeit.
Ik ben er nooit alleen. Er zijn geen schaduwen. Iedereen is welkom.
Steeds vaker ben ik er niet.


(uit: ‘Van Wolven en Stolpen’ en ‘Uit het Zesde Huis’ © Hans F. Marijnissen 2014 – 2015)

vrijdag 2 oktober 2015

Echte bloemen

Echte bloemen


Angèle voelde
of de bloemen echt waren.

Miranda voelde
of de bloemen echt waren.

In het dagverblijf
probeerde ik te lezen,
te wezen,
te leven,
en negeerde beiden.

Ik voelde
of de bloemen echt waren.

Jawel hoor,
echt zijde.