vrijdag 10 november 2017

De doler


De doler


Pas bij de pas naar het Westen
vond ik overnachting,
dolende archivaris, Oude Meester.
Ik voed de waterbuffels
en vervolg het naamloze pad
zonder afscheid, verstoten
door gesloten geesten.
Voor de burgerij verachtelijk
en te nachtelijk,
verzwijg ik bestemming,
plant ik zaad in hersens,
doorbreek de samenhang.
Op verzoek van de poortwachter
neem ik afstand van woorden
die ik op bamboe penseel, in twee delen.
Wetten en regels beperken
en blokkeren het altijd nieuwe.

Littekens scheuren open,
oude wonden bloeden.
Ik keer mijn schedel,
doorploeg geheugen en verzen,
illegaal uit principe
en crimineel uit noodzaak.
Voortijdig geboren,
nauwelijks ingedaald,
volwassen ook niet,
en altijd ontijdelijk.
Uit mirre, sterrenstof en wierook
dicht ik hooglied na hooglied
en kan de altijd nabije dood
niet schuwen,
lokkende zwanenzang.

Besneeuwde bergtoppen
lossen op in eiwitmist
en beslagen maanlicht.
Naar onbeperkte ochtenden
zwerft het pad dat geen pad is,
en volg ik, sprakeloos, dagenlang.
Wind en wolken
dragen mijn drakenvleugels,
en tijdloos bezoek ik crematies,
heb muze en fakkels bij me,
vier de teugels en negeer het rijmen.
Zonder omzien op begrafenissen
help ik spitten en duwen
in onbesproken dadendrang.
Dicht u op mijn dood,
dan dicht ik op de uwe.


Over Lao Zi (老子)
(Uit: Poëthement #008, PoëzieClub Eindhoven)