woensdag 16 mei 2018

Barensnood

Barensnood

Mijn tuin ontvangt.
Er groeit een appelaar
in mijn rechteroor
vanuit de pit in mijn keel,
gevoed uit het hart,
uit de moeder die zich eenmalig
voor mij opende en sloot.

Een worp woorden ontkiemt,
lotus in lotus,
alles van alles,
niets van niets,
midden in het midden,
kind in kind.

Ik loop op mijn handen
en roteer de globe.
Ook ik ben de vernietiger
die de wereld verdelgt
en niets anders wil dan
vernietiging en hergeboorte.

Al deze krijgers en vaders,
overdadig bewapend,
hier ten strijde verzameld,
zullen hun dood niet ontkomen,
gebukt in het juk van drie-eenheid
macht, liefde en kennis.

Een berg draait zich om
in mijn diepe slaap,
in de rups woelt een vlinder.
Mijn blik omspant de Melkweg,
en dan opent het ik in mij
het te grote licht met ogen dicht.

Niets zie ik
en niets ziet mij,
spiegels in spiegels, voorbij
hunkering en begeerte, uitdijend
en eindigend in singulariteiten.

Er groeit een volgende
uit het vorige in mij,
appel uit appel.
Niets beteken ik
voor dagschuwe kerngeleerden
en godvrezende volgelingen.
Hun schaduwen leiden af, hier
waar ik me vruchtdragend handhaaf
in aanhoudende barensnood.

Het hart van de heelal
huist in dit Boeddhabeeld,
overgroeid onder alomvattende
appelbloesem en mos.
Het gesternte wentelt zich
om mijn as. Ik ben weer thuis.
De teruggevonden bagage
woog niets bij aankomst.