zondag 11 januari 2015

Op de hereniging

Op de hereniging


De rouw al minder rauw.
Twee borden dekken
overkomt haar niet meer.
Nog draagt zij
zijn ring naast de hare -
hij is er niet meer.

Gestript tot het minimale,
niets is nog eigen,
van huis naar thuis naar tehuis.
Zij kiest als code bij de deur
hun trouwjaar
maar dat geeft geen toegang -
ontheiliging door beveiliging,
en haar man helpt haar niet meer.

Elke kille nacht
koelt die benige hand
haar voorhoofd
met troostende amnesie -
haar man is er vaak niet meer.

Ik kende haar,
zij mij niet meer.
Zij ontmoet alleen nog vreemden -
ook ik ben er niet meer.

Zij vergat dat zij rekende
op de hereniging -
daar waar iedereen terugkeert
tot ongeboren stof.

zaterdag 10 januari 2015

De open dag

De open dag


1 (avond)


Het vergezicht
een vergezochte avond.
Zo heb ik er nog veel te goed.
De honger vertrouwd,
ik ben niets van plan.

Het wemelt stilte.
Alleen zijn met mezelf
is het geluid
van de snelweg buiten,
het went.

Ik ben nog nooit
zo ver weg geweest,
doorregend,
tussen verwaaide muren,
stagnerende verveling,
duisternis de keerzijde.

Ik weet niet meer
waar ik ben.
Ze vragen me
waar ik vandaan kom,
wat ik kom doen.
Ik weet geen antwoord.
De waarheid,
een straal ijswater,
splijt mijn hersens
en ik ben nog niet ver genoeg.
Ik vergat pen en papier.


2 (nacht)


Ik heb afstand,
eiwitte stilte en
langzame vooruitgang
als gletsjer in me,
en lees het dansend braille
van de straatverlichting.

Ik wil ademhalen
tot levenshouding verheffen,
allesomvattend
in ontvankelijke longen.

Een zelfportret
belaagt de kaders
van wat ik denk.
Bij voorbaat achtervolgd
door mijn sporen,
wacht ik actief
op wissende regen.


3 (ochtend)


Een opgaande zon
draait zich los uit dromen.
Ik dwaal door open deuren
de dag in,
een beklemmend schilderij,
lege omlijsting.

Slopende huizen
en warrige straten.
Hier verstrijkt de tijd
zonder strijd
of meetbare noodzaak,
een doelloze drijfjacht.
Hier komt beweging als
een voortdurende gewoonte.


4 (dag)


Hier hoort een rivier
van woorden de stromen,
oeverloos.
Ik ken elke zinswending
al was ik hier nooit eerder.

Zonlicht sijpelt
door alle poorten
van mijn zinnen,
doordrenkt mijn taal
en wordt echo,
spiegelbeeld.

Stilleven.
De wind laat sporen na,
de zon droogt mijn kleding.
Ik knik naar
de lege handen
van wuivend graan.
Opvlammende bloemen,
al dat eenzame vuur
zonder verlangen.

Stil even.
Ik sta op de schedel
van mijn bestemming
en heb geen bereik.
Hier hoort een rivier,
waarom loop hier geen rivier,
de oceaan wacht.


5 (avond)


Een punt wordt lijn
wordt cirkel wordt bol wordt
punt.
Ik schets en voltooi regenbogen
tot koepels om mijn ogen,
keer weerom
in alle kleuren denkbaar.

Elk moment is een begin
en een even vernietigend einde.
Uit de kiem van een idee
ontspruit een gedachte,
groeit een bloem,
een voedende vrucht
met pit.

Ik was in een nacht,
nu ben ik
met gesloten ogen
in een open dag.

maandag 5 januari 2015

De blauwe jurk

De blauwe jurk


Ergens in deze nacht
moet warmte schuilen.
Het perron is doelloos,
geen bestemming wacht.
Ik was net op tijd
om te laat te zijn.

Je trok je blauwe jurk aan.
Ik hou het meest van jou
in je blauwe jurk,
die met al die ritsen,
vol warmte,
vol van jou.

De laatste van vandaag
vertrok zojuist.
De trein heeft mij gemist.
Ik omschrijf mezelf
als terugkerend naar je warmte.

Terug naar de blauwe jurk.

zaterdag 3 januari 2015

Ontslagen uit het kuuroord

Ontslagen uit het kuuroord


Begin opnieuw.
Ik vulde mijn dagen
(hij vulde zijn dagen)
met holle momenten
en blanco ogenblikken.

Ik daagde de dood
(hij daagde de dood)
en slaagde.
Hij wist niets
wat hij wiste,
hoeveel hij niet wist.

Er was veel gewenning
en weinig kuur.
Ik keek naar buiten
als naar een aquarium.
De schilder leerde kijken
de beeldhouwer voelen,
de dichter luisteren.

Ik was in een nacht
en deed iets wits,
(hij deed iets wits)
bleef soepel en troebel,
en ontsloeg gedichten
te vroeg.

Toen viel alles open
wat ik dichtte.

vrijdag 2 januari 2015

De vos spreekt

De vos spreekt


Een vlucht woorden
strijkt neer.
Een avondzon
van weemoed
op blanco bladzijden,
een engel in vrije val,
ongedoofd
in een strofe.

Een onvoltooid,
ongeboren kind,
bloedend en
niet bedoeld
voor deze wereld.
Het leven nam een foto
en niets werd ouder.

Het gezin mijn religie,
mijn thuis en
daarbuiten wacht een woud
vol jagers.

Wat zegt de vos:
"Omheiningen,
daar lach ik om.
Ik zorg voor mijn nest,
jij voor het jouwe."

Dit verdween niet
achter een horizon.
Dit werd horizon.

donderdag 1 januari 2015

De manager

De manager

Bloempotten op de vensterbank en
de wereld kijkt belangstellend toe.
Het ene na het andere project
werd verpulverd onder pantservoeten
en gepolijste handen.
Hij trotseert druilregen
uit pure arrogantie.

Hij begrijpt het niet meer
en loopt zich ongelukkig,
Slaap overmant zijn ogen.
Hij trommelt op zijn bureau,
zijn woorden geladen en op scherp.

Er is behoefte aan vingers.

Juist in het onvermijdelijke,
het noodzakelijke,
huist het vernederende.
Alles richt zich op voortbestaan.
Hij zoekt toevlucht in definities
om onrust te kalmeren
en leeft kortademig.
Elk moment
kan het kantoor verdwijnen.

De behoefte aan vingers stijgt.

Vage vergissingen
achtervolgen dagelijks.
Als een beek de bedding
volgt hij routines.
Hij begrijpt het niet meer.

Hij kwam toevallig bij me langs
en we praatten tot laat in de ochtend.
Buiten verstreek de tijd
als vanouds.

De behoefte aan vingers
woekerde verder
tot boven ons uit.

Ik moet gaan

Ik moet gaan


Ik moet gaan

Buiten
damp van paardenmest
in ochtendmist,
draaiende motoren,
een huilend kind,
en iemand roept mijn naam:
ik moet gaan.

Liever bleef ik hier,
dat zou ook verstandiger zijn.
Ik heb wortels in deze grond
en iedereen kent mijn naam,
maar ik moet gaan.

Meeuwen krijsen.
Ik hoor een golfslag
niet ver van deze herberg,
waar ik achter de kachel
cognac naar binnen sla.
Geduldig wacht de oceaan,
vloed en eb wissen namen:
ik moet echt gaan.

Gaan met de zon
zonder na te denken
of te letten op hoe ik me voel,
de wereld rond,
verder en terug.
Niet de zon vertrekt,
de aarde wentelt.
Ik moet nu gaan.