woensdag 13 juli 2016

Zomerscènes

Zomerscènes


1.

Gele ruitjesruiten, glas in lood, een zwaar
houten tafel met aangebouwde banken.
Hooi, zand en teer, leer, zaagsel, zonlicht
in streepdunne bundels. Onweer rond twee
uur ‘s middags die zomer, ozongeur, warm
parfum, de kleren over de banken
gesmeten, een aanhangwagen
die naar stro rook achter een tractor,
zoemende vliegen. Twee maal.

2.

Dennennaalden en gras bij een chlorig
openluchtbad. In omringende bossen vliegen,
met ijscogeur, ijl hete lucht, kinder-
stemmen gillend en lachend / huilend
onder een dak van bladeren. Haar
bikini en mijn zwembroek aan een
dennentak, prikkende grond, muggen, snel.

3.

Dichtslaande autoportieren, diesel.
Geen afscheid,
maar het vervagen uit elkaars
leven. Weggewuifd spinrag.
De warmte gloeit na.
De woorden veranderden,
de betekenis niet.

dinsdag 12 juli 2016

De volmaakte misdaad

De volmaakte misdaad


Vredesmissie, noem het zo.
Bepaalden zij die keuze? Tientallen balen
hulpgoederen en voorraden bewaakt achter
schuttingen. Bijlen in hoofden,
autowrakken en barakken daarbuiten,
waar alleen de hitte niet liegt.

"Wij verzorgen muggen-, slangen- en
analfabeten", grapte een radio diskjockey.
Verbleekte botten en dode neonreclames
overdag in leeggebombardeerde steden,

uitgestorven, er is niemand meer
of er is nog niemand. Het Patriot systeem
zoemt en zucht in de overbelaste airco.
Eeuwig zomer. Geiten vinden bermbommen.
Aan een kapstok in ijle zandstormen: sandalen.
Vredig, inderdaad.

De zon hoog, de schaduwen laag.
Ook zomer in de Randstad, achter dijken.
Ik zou mijn wapens hier zó ruilen
voor een waterijsje daar, thuis. De eenheid
Peshmerga giechelt in de douchetenten.
Ik update mijn profiel voor de
nabestaanden, mochten die me nog
willen.

De volmaakte misdaad:
alleen verliezers.

donderdag 7 juli 2016

Nooit

Nooit


Nooit is het hooi zo mooi
rood geweest
als toen het brandde, maar
daarom is het verschil
onduidelijk, en uw zuidelijk
temperament ontbloot op
de vleesschaal met slablaadjes:

het is geen grap. Ik probeer
niets, geen kitsch of zo,
maar u kunt me niet
weerhouden te leven onder
uw vloermat, in uw straten,
uw stegen, steden.

Ik kijk monter naar u
door uw montuur heen. O ja!
De brommers zoemen in de
verte, maar ik weet hoe de
nacht is.

De zeeman: uw mening:
het bestaat niet,
nooit.
(zomer 1968)

donderdag 30 juni 2016

De bomen dansen wild

De bomen dansen wild


De bomen dansen wild.
Rondom dwalen zaadpluizen
over de daken van het dorp
en plavuizen schikken zich aaneen.

De vrouwen maken zich op
en fietsen met open monden
de bossen in. Paden ontstaan
waar zij willen.

Een regenwolk verwaait
als een sluier, gedachteloos.
Het is niet te stoppen.

De huizen met wijd open ramen
en deuren wachten op de avond
als de vrouwen terugkeren
en de ramen een voor een
het licht doven.

Tegemoet komt morgen,
en morgen komt morgen,
en meer.

Uit: Voortvluchtige poëzie, Heimdall 2015

zaterdag 25 juni 2016

Hulpeloos

Hulpeloos


Haar ogen,
peilend,
ontwijken, andere richting,
de muur, iemand anders.

Mezelf betrappend
op staren,
op horen,

terwijl ze serieus probeert
een gesprek met me
aan te knopen - 

Ik staar, ik hoor,

haar handen, de vingers -

4 september 1972

vrijdag 24 juni 2016

Geluidsbarrière

Geluidsbarrière


'Dan zet ik de headphones hard,
echt loud, weet je wel,
‘s avonds als 't stil is buiten,
en dan doe ik 't licht uit,
op 't leeslampje en de led van de versterker na,
en ik lees
alleen in de grote witte stoel,
de voeten omhoog op de koelkast,
heerlijk',
brulde hij in mijn linkeroor.

Ik keek hem aan
en schudde mijn eh-dinges
rond in het glas.

Ik dronk,
keek naar het stuk aan de overkant van de bar,
en riep boven het lawaai uit:
'Dat doe ik ook wel ‘ns, ja!'

Hij verstond me niet.

Uit Naar Morgen 14, Opwenteling, juli 1974

maandag 13 juni 2016

Op doorreis

Op doorreis


Soms denk ik dat ik verkeerd ben,
verdwaald, misplaatst.

Toen ik wachtliep
op de graanvelden van Calabardina,
kwam een oude man naar me toe
met een kromme stok,
en hij sloeg me dood
eer ik wist wat er gebeurde.

En
na een lange avond in wat herbergen
liep ik aangeschoten door de haven.
Ik werd aangeschoten door een vreemdeling,
hij verdween voor ik hem herkennen kon.
Ik werd aangeschoten met mitrailleurvuur.
Helikopters richtten zoeklichten op mij
en de huizen. Ze schoten raak.

En
ik herrees uit de dood,
zoals zovele malen eerder.
Ik danste door de straten
en nam mijn intrek bij
Angelina-met-de-grote-ogen.

(Naast het huis was een garage
waar ze ‘s avonds laat doorwerkten.
Uit het raam zag ik licht en schaduw,
en kon ik een radio horen spelen.)

Soms weet ik dat ik verkeerd ben,
vraag ik me af
hoe dat gekomen is
en of het ooit zal overgaan.

januari 1971