zondag 9 juni 2019

Over de Dommel

Over de Dommel

Breder dan oevers en onschuld kabbelt zij zeewaarts
vanuit het Belgische Peer in de armen van de Maas.
Regen, riool- en kwelwater van het toen naar het nu,
ouder dan warm kloppend bloed in mens en dier.
Als tranen over wangen dwalen kreken,
sloten en beken over zompig laagland.
Scheprad en sluizen, kolken en gemalen
doen dromen en hopen, meanders vertalen
twijfel in aarzeling, kronkels in ervaring.

Maaiende molenwieken vierendelen
de wijkende horizon onder gedempt klokgelui.
Stof drijft op het water, bladeren, takjes, pluizen
en niets blijft. Achter elke bocht begint een wereld,
aan elke overkant weer een overkant
en dagen en kansen keren zonder verklaring.

Zon, maan, sterren, muren en ramen
spiegelen zich en volgen de stroming.
Al het zoete grondwater komt van boven
en na elke plensbui staat het vee te dampen
op doorweekte weiden. In de Dommelvallei droogde
de zondvloed nog niet op en vergaren bomen
eindeloos jaarring na jaarring.

donderdag 6 juni 2019

Een plus een is

Een plus een is

"Ik weet dat hij
niets om mij geeft
en ik hou niet echt van hem."
Haar ogen fel niets.
"Dat is simpel dus,
een plus een is twee."

Ik ruik parfum,
ik ruik zweet en pus
als ik dit lees.

"We hebben die kinderen, twee,
dat is wat ons bijeen houdt."
Dus een plus een is vier, dacht ik.

"Heel mijn lichaam huilt tranen
in elke knuffel en kus,
in de mijne het meest."

Zij vermeed elke spiegel,
"want zo'n spiegel kijkt terug
en alles telt op."

donderdag 30 mei 2019

De schilder

De schilder

Ik schilder huizen
en wegen
tegen het doek
tot ze niet meer bewegen
en ontsnappen.

Allereerst herinner ik me
de kantoorgebouwen,
samengedrongen rond een
verlaten binnenstad;

dan de industrieterreinen,
direct naast de toegangswegen;
dan de rotonden;

hier ver van dat alles,
waar ik nog altijd vlucht.

Veranderingen in mij
gaan gewoon door
en laten zich niet vastleggen.

vrijdag 24 mei 2019

Geen woord, geen antwoord

Geen woord, geen antwoord

Zij overleed te jong en alleen.
De overkant ineens weer relevant:
een bestemming of een leegte
naar voorkeur, een dag- en
nachtswisseling nabij en fors,
de bossen en velden ontkleuren,
leven wordt overleven,
eerst gaat het bezoek,
als laatsten de naasten,
ieder zwijgt en komt te laat vandaag.

Doe en laat wat nog waarde heeft.
Taal waarmee ik te lang speel
groeit als een gewei,
vertakt zich en valt af.
Wat kan ik zeggen, vragen,
de dood nadert dagelijks
en hoort hier thuis.
Ik blijf schaven
tot het geen nut meer heeft,
ben nu nog net op tijd,
en straks te laat, te vaag.

Vraag een kind wat het wil,
een volwassene wat nog kan.
Ongevraagde woorden landen,
tikken op het scherm
of ik kom buiten spelen,
stijgen weer op, verkoold papier
op een thermiek van herinneringen,
buiten mij, voorgoed gekoppeld
aan dat remspoor in de berm,
de verbogen vangrail, de ontvelde schors.

Het is een boom om het even
wie de appels eet of de zaag pakt.
Het draait om het klokhuis, de pitten.
Dat er geen antwoord is
ligt aan de vraag.

donderdag 23 mei 2019

Het netwerk

Het netwerk


Zoals de nonnen konden,
ongebonden, spanveren
strak aangetrokken met overspannen katrollen
en een kast vol haldol, het glas halfvol open wonden.

Ik hang gespannen
in bloedige koorden
van zwiepende linialen
en snijdende woorden. Niet omdat het kan,
maar omdat het bloedt en krab aan het kenmerk.

Houvast, verknoopt
alsof ik kwaadspreek
over ooit de scouting:
de platte knoop of paalsteek bij de schaamstreek
of de knellende mastworp, striemend afgebonden.

Nooit verlopen pijn
voor straf en boete opgewekt,
een spinnenweb van schaamte
en nestbevuiling, als kotsen in Ikea's ballenbak.
Simson bandenplak in de achterzak:
alle rek eruit, dat is wat bloed met je doet:
een zelfklevend netwerk.

dinsdag 14 mei 2019

Wat zal zijn

Wat zal zijn

Wat zal zijn, zal zijn.
De frituur is OPEN,
van buiten gezien.
Hij is naar zijn werk,
zegt hij elke dag.
Kijk me recht aan
als je liegt
alsjeblieft.

De aarde draait door,
kantelt onder andere sterren.
Wat zal het zijn,
vraagt de bediening.
Ik neem nog
een versterking.
Ik blijf je moeder niet,
huilde mijn moeder.

We zagen wat was,
zien wat er niet is
en we zien wel wat ervan komt.

De avondfile nadert
naamloos en volledig
en elke passagier stapt op tijd uit
bij de ingesleten halte.

Ik weet niet waar je was
maar het was niet waar je zei,
kijk me recht aan
als je liegt
alsjeblieft.

Je noemt mij
een vrouw met een beperking
als ik er niet bij ben,
in de kroeg, tegen je collega's.
Je blanke koningin-maagd
gedwongen preuts,
je oudedagsvoorziening.
Zelfs mijn achternaam
werd opgedrongen.
Ik ben nog steeds je moeder niet.

Ik swiffer het niet weg,
dreft helpt maar even
en stof blijf terugkeren.
Ik verzorg de planten en dieren,
want die liegen niet.
Elke dag.
Wat zal zijn, zal zijn.

De frituur is GESLOTEN,
van binnenuit gezien.
Ik weet hoe je te werk ging,
je hebt me bestolen.
Wat zal komen zal zijn.
En sluit de deur
achter je,
ver achter je,
alsjeblieft.

(Doris Mary Ann Kappelhoff, 1922 - 2019)

dinsdag 7 mei 2019

De wolf in wording

De wolf in wording

Om al wat ik ooit vond dat ik moest weten:
Het ontglipte telkens aan mijn aandacht,
Want wat ik begreep kon ik niet vergeten.

Het grenzeloze bleek alleen te meten
Hoe ver het zoeken mij hier vandaan bracht.
Om al wat ik ooit vond dat ik moest weten:

Ik zocht en vond, leek wel bezeten,
Dwalende wolf in een kille maannacht.
Want wat ik begreep kon ik niet vergeten.

Zonlicht verried mij en na dagen nauwelijks eten
Huilde ik mee met de roedel in een aanklacht.
Om al wat ik ooit vond dat ik moest weten:

Hoe door bidden en smeken mijn woorden versleten,
Ik oude muren sloopte en nieuwe aanbracht.
Want wat ik begreep kon ik niet vergeten.

Door waarheid en verlichting wakker gebeten
Struikelde ik verder in wankele daadkracht
Om al wat ik ooit vond dat ik moest weten:
Want wat ik begreep kon ik niet vergeten.