dinsdag 3 februari 2015

De lift

De lift


Ik daal af
en verdwaal.

In de ochtend ver in de verte
een jonge vrouw in de zon
en mateloos iedere avond
de oversteek naar de morgenwereld.

Val vlinder in grindkuilen,
blaren hakken in de schenen,
balanceer meesterlijk op blote tenen,
langzame lawine van een berg zand,
klim in de boomgaard
en vecht om een vrucht onrijp,
reik in de volle bladerkruin
en hap in peren geelgroen.

Ik ben rijk en machtig.
Ren door lege armoestraten
nagejouwd door de gemeenschap,
tranen heet op je perzikwangen,
blauwe ogen bloedneuzen.

Te grote laarzen baggeren in sloten
en kroos en kruipen in
het herfstweer de weiden over,
prikkeldraad en eindeloze trektochten naar
plekken waar je al vaak was
maar die je nog nooit
had bezocht, kikkervisjes vangen
en altijd de ogen rusteloos open.

De te levensgrote zwarte dood
spreid vleugels wijd
en beperkt je gezichtsveld tot nihil,
je valt gillend achterover,
om eenmaal opgestaan te
merken dat iedereen lacht.

Dan
begint de aftakeling.
je hunkert terug naar de aarde
waarin je wroette,
en het groen, het groen,
de verrukking over de zonsopgang/zonsondergang,
verwondering over wolkenformaties.
Je verliest iets,
je menszijn.
Je hebt voor alles een verklaring
en nodig.
Terwijl je altijd zo doodserieus was
nu de leugens,
en de laarzen klein ineens.

Ja, je sterft als je een god nodig
hebt om zaken te verklaren
die toch zo klaar waren.
Als kind nog beseffend hoe treffend
de wereld is, slechts je ogen en de natuur.
Moeder aarde, verder niks.
Dat is leven: daarmee bezig zijn,
verder niks,
dubbeltjes zoeken onder kerkbanken,
snot en tranen,
zonder heimwee of verlangen,
slechts het beseffen, weten, verstaan,
goed zonder hoop,
fout zonder angst.

En nu, nu wacht ik bij het spoor
naast een volle bietenwagen.
Vroeger was ik over de bomen heen gesprongen,
desnoods ook nog over de trein,
maar nu, dat niet willen eindigen
als een
overlijdensadvertentie in de krant.
Haar handen merk ik opeens
in de mijne,
d     e   t  r ein dender t voo r b  i     j
en dan keren de bomen opwaarts.

Zenuwen en verstand voortdurend
in gebruik, bezet, bezig.
Ik daal af
en verdwaal.

De zondagochtend, de wandeling in het kunstbos,
de auto op de parkeerplaats dicht.
Kinderen spelen in de bossen,
vallen uit bomen en breken geen benen,
worden overreden door een auto
en blijven springlevend
met een schrammetje op het rechteroor,
doornat uit sloten gevist [stop]
en spiernaakt rondrennend op straat,
verdomme.

Ik begin te begrijpen
maar geef me meer tijd.
Alles is belangrijk, zelfs dit,
maar niets belangrijk genoeg.

Dans in de weiden [stop]

Vergeeld de herinneringen, vergeef me,
neem mij niet kwalijk alstublieft,
ook ik maak fouten.

Daar
is de
avond.

Gelukkig ging de lift omhoog
en bleef het gebouw staan.

[stop]

3 februari 2015

Geen opmerkingen:

Een reactie posten